San Ignacio, Bolivia

Werelden van verschil

7 mei 2011 - San Ignacio, Bolivia

Brandstof wordt in Bolivia zwaar gesubsidieerd.  De afgelopen dagen hebben we in de krant kunnen  lezen dat er een  wetsvoorstel  klaarligt om de illegale handel in brandstof een halt toe te roepen. In het voorstel  staat dat er binnenkort per dag niet meer dan 120 liter brandstof mag worden getankt. Auto bezitters zonder kentekenplaat (waarvan er heel veel rondrijden in Bolivia) kunnen helemaal geen brandstof meer kopen en buitenlanders moeten daarnaast  een hogere prijs gaan betalen. Het is een wetsvoorstel dus we maken ons nog geen zorgen. Maar wanneer we de stad uitrijden en onze tanks willen bijvullen wordt er verteld dat we maar 120 liter brandstof kunnen kopen.  Bij het tankstation hangt het stuk uit de krant aan de muur. Wij leggen uit dat deze wet nog niet hoeft worden uitgevoerd omdat het nog maar een voorstel is. Er is geen praten aan; 120 liter en  een  half uur durende administratieve afhandeling. De volgende dag bij een ander tankstation willen ze ons helemaal niets verkopen. Buitenlanders mogen geen brandstof meer kopen wordt ons verteld. Op onze vraag hoe wij dan verder moeten rijden geven ze geen antwoord. Maar Bolivia zou Bolivia niet zijn….een paar kilometer verderop tanken we alles vol en  een wetsvoorstel….nooit van gehoord.

We rijden de Jezuïeten missie route. Vier eeuwen geleden zijn de Jezuïeten aangekomen in de provincie Gran Chiquitania en zijn zij begonnen met het bouwen van  kerken. De Jezuïeten bouwden samen met de indiaanse bevolking een zeer ontwikkelde samenleving en trokken zich niks aan van het landsbestuur in de gebieden waar ze zaten (in Bolivia, Paraguay en Noord Argentinië). In zeven dorpen langs de route zijn prachtige, inmiddels gerestaureerde,  kerken te bewonderen. Wanneer we aankomen in het dorp San Jose de Chiquitos (1 mei en “dag van de arbeid”) zijn we net op tijd om te zien hoe jongeren verkleed als clown en anderen met maskers (waarvan we de betekenis niet precies kunnen achterhalen) door de straten dansen. De hele dag is het feest en in de middag gaan we naar een rodeo. Gelukkig is het geen rodeo zoals in Spanje waar de stier uiteindelijk wordt gedood. Het is erg leuk om te zien hoeveel schik de toeschouwers hebben om het spelletje (de clown moet op de rug van de stier zien te komen) tussen de clown en de stier.

We kamperen twee dagen in de tuin van hotel “Villa Chiquitana”.  De Franse eigenaren, Jerome en Sophie, hebben gedurende drie jaar een reis door Zuid –Amerika en Azië gemaakt…op scooters! Niet veel later hebben ze dit hotel met zes kamers laten bouwen . Het is leuk om met Jerome te praten over de bouw van het hotel, over reizen en het leven in Bolivia. We ontmoeten hier Sybille en Lutz uit Duitsland. Sybille is directeur van de Duitse school in Santa Cruz en ook met hen praten we over het land, het schoolsysteem en de politiek. Jammer dat we net uit Santa Cruz komen, Sybille had ons graag “haar” school laten zien. We zien in het hotel veel foto’s hangen van een mennonietengezin en Jerome vertelt over de drie weken die hij er heeft doorgebracht om deze reportage te kunnen maken. Mennonieten zijn oorspronkelijk afkomstig uit Duitsland en hebben zich via Rusland, Canada en Belize naar Bolivia begeven. Het is geen geloof maar een sekte. Ze leven volgens strenge religieuze regels.  Het gebruik van elektriciteit en andere moderne verworvenheden zoals radio, televisie en telefoons is verboden. Ze mengen zich niet met andere bevolking, dus ze zien er puur Duits uit: blond en blauwe ogen. In Amerika komt een afsplitsing voor van de Mennonieten die wat bekender zijn: Amish. We nemen afscheid van Jerome (Sophie is in Santa Cruz) en hebben er 40 km opzitten wanneer we een afslag zien naar een Mennonietenkolonie. We kijken elkaar aan….zullen we?

Mennonietenkolonie Nueva Esperanza

We slaan af en rijden de kolonie binnen, wij denken een soort dorp aan te treffen, met een plein, winkeltjes, kerk, enzovoort. Maar nee, alleen boerderijen en paard en wagens. Er zijn twee sporen  in de aarde: één voor de paardenwagens en één voor de tractoren die geen rubberen maar ijzeren wielen hebben en dus nogal een bende maken van de weg (een tractor met rubberen wielen is te verleidelijk om te gebruiken voor andere doeleinden dan puur agrarisch gebruik). We vragen aan een dame in zo’n paardenwagentje of er een restaurant is. Een restaurant is er niet maar zij lijkt wat te koop te hebben en gebaart ons achter haar aan te rijden. Tien minuten later komen we aan bij het huis en echt geloof het of niet…..het is een klein houten huis, zonder elektriciteit, geen radio, tv of iets van luxe. Wel zes kinderen,  de zevende op komst.  De vrouw is heel verlegen en moeilijk te verstaan maar ze laat ons zien wat ze in huis  heeft. We kopen brood en kaas en dan lijkt het “ijs” te breken en begint ze ons vragen te stellen. We merken dat wanneer we langzaam spreken we elkaar een beetje kunnen verstaan. Er blijken veel Nederlandse en Engelse woorden in hun “platdeutsch” voor te komen. We vragen of we foto’s mogen maken en dat mag. In de buurt is het schooltje waar veertig kinderen uit de kolonie les krijgen en we zien net hoe de kinderen uit school komen lopen. Eerst een rijtje jongetjes en erachter de meisjes.  Deze kinderen gaan naar school van hun zesde tot twaalfde en leren alleen lezen (uit de bijbel), schrijven en een klein beetje rekenen.  Geen geschiedenis, aardrijkskunde of andere talen dan het plat Duits.

 De kinderen van deze vrouw zijn echt heel verlegen en blijven stuurs voor zich uit kijken. Maar dan….doen we de deur van de vrachtwagen open en gebaren de kinderen om te komen kijken. Heel voorzichtig komt de een na de ander binnen en zijn de oh ‘s en de ah ’s  niet van de lucht en wanneer we de radio aanzetten beginnen ze eindelijk wat vrolijker te worden en ontdekken we de lach op enkele gezichten. Samen met de kinderen vergelijken we woorden in het Nederlandse  en plat Duits,  ze vinden het een leuk spelletje. We ontmoeten Jacob, de broer van de vrouw. Jacob is heel schuchter maar durft uiteindelijk te vragen of wij hem naar een dorp 10 km verderop kunnen brengen. Hij wil iemand bellen in Santa Cruz en de dichtstbijzijnde telefoonwinkel is hier 10 km vandaan. We laten Jacob bellen met onze satelliettelefoon en als dank neemt Jacob ons mee naar zijn huis waar we samen met zijn vrouw wat eten en koffie drinken. Er zijn twee nichtjes op bezoek en bij het afscheid nemen zegt een van hen…….kom maar om zes uur vanavond naar het huis van mijn ouders, dan kunnen jullie bij ons eten. Maar waar is het huis vragen wij….in dorp 26 hier vier kilometer vandaan, jullie zijn nu in dorp 10.(straatnamen zijn er niet, alleen ‘dorpen’)

Om half zes komen we aan bij het erf van Cornelius Neufeld en zijn familie en het is alsof we een filmset oprijden en voor onze ogen een scene uit een film uit begin 1900 wordt nagespeeld. We zien hoe de hele familie bezig is met het vee, de koeien worden met de hand gemolken en al het vee gevoerd. De volle melkbussen worden net als bij ons vroeger aan de kant van de weg gezet om, zoals we wat later zien, met paard en wagen te worden opgehaald. We worden hartelijk ontvangen , door een Engels sprekende  Cornelius. Om zes uur is het donker en zitten we met de familie aan tafel met een paar olielampen als verlichting. De jongste zoon is vandaag 17 jaar geworden maar verjaardagen worden binnen de kolonie niet gevierd. De dochter is 19, is sinds zes maanden getrouwd en woont nog in bij vader en moeder: eerst nog een paar jaar sparen voor ze hun eigen boerderij kunnen kopen. De maaltijd is eenvoudig; gekookte mie met kippenbouillon en bruine bonen. We horen dat Cornelius op zijn 8e met zijn ouders is verhuisd van Canada naar Belize. Na twintig jaar Belize hebben ze overstap naar Bolivia gemaakt. Cornelius is 58 jaar, heeft 10 kinderen en 39 kleinkinderen en kan niet lezen of schrijven. Alle mennonieten binnen deze kolonie hebben een eigen landbouwbedrijfje en grond kopen ze voor 30 dollar per hectare. Wij laten hen de auto zien en naar de radio luisteren en we kijken naar elkaars wasmachine.  De onze elektrisch en die van hun werkt met een benzinemotor…..dat mag dan weer wel? …Cornelius is verder echt van de “oude stempel”. Hij is gehoorzaam aan de regels van de minister(dominee?) ……De volgende morgen nemen we afscheid van deze lieve mensen. De zoon neemt ons even apart en vraagt voorzichtig wat wij van hen  vinden …goed of slecht?  Hij is vast, zoals we inmiddels weten, één van de mennonieten die twijfelen aan hun manier van leven.

We rijden de gewone wereld weer binnen en kamperen  op het terrein van een, wat wij denken, leegstaand schooltje. Maar de volgende morgen om half negen “stromen” de twee klasjes vol met de wel 15 leerlingen en juffrouw Rosa Toty gebaart ons om te komen kijken.  Tien minuten later zitten we aan een “cafecita” ( klein kopje sterke gesuikerde filterkoffie) en raken we aan de praat met Rosa. De 15 kinderen komen uit een paar kleine gemeenschappen uit  de directe omgeving en krijgen vijf ochtenden per week les van Rosa en haar collega. Toezicht op wat er geleerd wordt aan de kinderen is er niet en volgens Rosa zijn er te weinig middelen aanwezig om goed les te kunnen geven.  Rosa is helemaal weg van de vrachtwagen en vraagt of ze binnen mag kijken. Dat is goed zeggen wij maar dan samen met de kinderen. En daar gaan we weer, het hele klasje naar binnen en een paar “durfals” laten we de ladder opklimmen om naar de zonnepanelen te kijken. Maar anders dan bij de Mennonieten wordt er hier veel gepraat, gevraagd en gelachen. We hebben het kleine voetbalveldje gezien en vragen of ze wel een bal hebben. Nee, een bal hebben ze niet meer en omdat wij er een aantal hebben meegenomen uit Nederland geven we hen een nieuwe bal.  Als dank worden er voor ons wel een kwartier lang de zelfgeschreven liedjes van Rosa  gezongen.

Bij het afscheid nemen vraagt Rosa plotseling of ze de volgende dag samen met haar moeder mee kan rijden naar San Ignatio, een dorp 35 km ten noorden van San Miquel de Velasco.  Het is op onze route en wat volgt zijn een gezellige middag en avond in het huis van de moeder van Rosa. Er wordt veel in- en uitgelopen door buren, vriendinnen, neven en nichten. We maken een rondrit op de brommers, bezoeken een vriendin, een paar scholen en het plaatselijke ziekenhuis.  s ’avonds spelen we een potje Boliviaans poker en de dochter van Rosa laat horen hoe mooi ze al viool kan spelen. We ‘kamperen’ voor de deur en de volgende morgen in alle vroegte stappen de keurig opgemaakte dames in. Gedurende de rit wordt er veel gepraat over de mannen, de macho-cultuur en hoe eenvoudig  mannen hier  vrouw en kinderen in de steek laten. Zoals ook bij Rosa, haar moeder en de vriendin het geval is. De vrouwen voeden de kinderen  alleen op maar lijken er niet minder vrolijk om. Gezamenlijk  gaan we ontbijten op de markt van San Ignatio. Veel mensen hier eten drie keer per dag warm en zitten vaak ’s morgens al aan de borden pasta en vlees. Onze  vriendinnen eten , geheel in Boliviaanse stijl, rijst met een bergje gebakken pens……. wij houden het maar op een bordje maïspap….

 

Foto’s