Copacabana, Bolivia

warm welkom in Peru

15 juni 2011 - Copacabana, Bolivia

Op zondag (1ste pinksterdag) willen we, om te kunnen internetten, weer het centrum van La Paz in. We krijgen een lift van onze buurman Hugo. Hugo is 57 jaar, rijdt het liefst rond op zijn crossmotor en is eigenaar van een klein toeristenbureautje in het centrum van La Paz. Hij vraagt wanneer we weer gaan rijden. ‘Morgen’ zeggen wij en dan horen we zijn verhaal over de stakingen (met wegblokkades) die de volgende dag in het hele land gehouden gaan worden. Er wordt gestaakt vanwege een nieuwe wet. In deze wet staat dat eigenaren van auto’s zonder kenteken geen diesel of benzine meer kunnen krijgen en tevens dat het tijdelijk mogelijk is om deze auto’s, na betaling van de belastingen, alsnog van een kenteken te voorzien . Er worden heel veel (vaak gestolen) auto’s illegaal  het land binnengebracht in Bolivia en dat zijn de auto’s die je ziet rondrijden zonder kenteken. Eigenaren krijgen nu 15 dagen de tijd om de auto te laten registreren. Daar is men in heel Bolivia boos over….Omdat we nu op maandag niet weg kunnen uit la Paz en niet langer willen wachten pakken we in en rijden we dezelfde dag nog de stad uit. Het is, vanwege alle optochten en markten, nog een hele klus om het centrum uit te komen. We rijden over de hoogvlakte richting het Titicacameer, steken met een van de vele ferry’s het meer over en komen net voor zonsondergang aan in het dorp Copacabana.

Het Titicacameer is het hoogstgelegen grote meer ter wereld (230 km lang en 97 km breed) en bekend om de “drijvende” eilanden en handgemaakte rieten boten. We maken een dagtocht naar het “eiland van de zon”. Het eiland waar ( in de Inca-mythologie) de zon is “geboren”. Een boot brengt ons in anderhalf uur naar de noordkant van het eiland en vandaar lopen we, op een hoogte van 3800meter in ruim drie uur naar de zuidkant. Door de hoogte is het een pittige wandeling maar met fraaie vergezichten over het meer en het eiland.

Dan na tachtig dagen gaan we Bolivia verlaten…met pijn in ons hart. Wij vinden Bolivia een prachtig land met een lieve vriendelijke bevolking. Alleen.. met de enorme hoeveelheid aan natuurlijke grondstoffen (denk alleen al aan het Lithium) zou het een rijk land moeten zijn. Er zijn nauwe banden met ‘duistere’ landen als Cuba, Venezuela en Iran…..Bolivia heeft nog een lange weg te gaan. Maar de Bolivianen zijn trots op hun land, en terecht, het is prachtig! Wanneer je met mensen spreekt willen ze altijd weten waar je geweest bent. Bijvoorbeeld… de mensen in la Paz… Oh… zijn jullie helemaal in Trinidad geweest (Amazone) daar kunnen wij niet wonen…het is daar muy calor….veel te warm…en dan.. de mensen uit de amazone…zijn jullie helemaal in Potosi geweest…niets voor ons….brr muy frio…veel te koud. Maar wij hebben genoten van alles wat we hebben gezien en ervaren in Bolivia en rijden van Copacabana naar de grens met Peru.

Het is opvallend rustig aan de grens, er staat wel een toeristenbus. De chauffeur vertelt dat hij geprobeerd heeft Peru in te rijden. Maar..zo vertelt hij….er zijn overal blokkades en de sfeer is zo grimmig dat hij is omgekeerd en is teruggereden naar de grens. Volgens hem moeten we terug naar La Paz en dan 14 uur rijden naar het noorden van Chili en vandaar Peru in….een omweg van een paar dagen. Tja, wat doen wij? We willen toch de grens over en lopen het immigratiekantoor binnen. Wanneer we daar staan trekt een man (zonder uniform) zomaar de paspoorten uit onze handen. Peter reageert onmiddellijk en trekt deze weer terug. De man wordt ontzettend boos en dan blijkt dat hij degene is die ons een visum moet geven. Hij laat ons weten dat wij hem hebben beledigd en voor straf krijgen we geen visum. Hij sluit alle ramen , loopt de deur uit en laat ons staan….nou ja…oké dit is dan zeker Peru. We blijven wachten en wanneer hij eindelijk terugkomt (om andere klanten te helpen) bieden we knarsetandend onze excuses aan. Gelukkig, de man is er gevoelig voor en nog een beetje na mopperend stempelt hij onze paspoorten. Dan nog naar de douane voor het invoerdocument voor auto en motor. De deur is op slot en wij rammelen er wat aan. Woedend stormt een man naar buiten…het kantoor is gesloten..zien wij dat dan niet? We leggen uit dat we Peru in willen maar dat we hem nog nodig hebben. We hebben geluk, want zegt de man, speciaal voor ons zal hij de deur open doen. Het uitschrijven van het document, het computersysteem doet het niet, duurt drie kwartier. Gedurende die tijd kunnen  we naar het nieuws kijken . Vanaf de grens tot aan de stad Puno zijn wegblokkades opgeworpen en in de stad zijn demonstraties waarbij auto’s in de brand worden gestoken en ruiten worden ingegooid. Het ziet er best heftig uit. De Aymara indianen zijn boos op de regering vanwege een contract wat is afgesloten met de Canadezen. Er komt in dit gebied een mijn, tot grote woede van de Indianen. Ze zijn bang voor schade aan de natuur en vervuiling van het drinkwater.  Het protest duurt al weken. Wanneer we ook het invoerdocument in handen hebben (en de vraag om een cadeau vriendelijk hebben afgewezen) gaan we rijden.

Het eerste wat we zien is een man die aan de kant van de weg zijn broek naar beneden doet en voor onze ogen gaat zitten poepen….hè bah! We zijn vanuit Bolivia al gewend geraakt aan de mannen die vlak voor je gezicht hun gulp naar beneden doen en gaan plassen maar dit overtreft alles. We stoppen 50 meter voor elke wegblokkade en lopen dan naar de mensen die er (vaak met stenen in de hand) staan. Het is niet duidelijk aan wie je wat moet vragen maar we leggen iedere keer (aan de hele groep) uit dat we toeristen zijn en graag het mooie Peru willen zien. Bij een van de blokkades besluit de groep dat we een dansje moeten doen. En daar gaan we dan..midden op de asfaltweg zingen we “in Holland staat een huis”, klappen in onze handen en doen een leuk dansje. De hele groep giert het uit van het lachen maar…. de duimen gaan omhoog en de stenen worden weggehaald. Pff…we kunnen weer verder. Leuk rijden is het niet…we hebben een beetje het gevoel dat we door een oorlogsgebied rijden….we zijn ook echt de enige die hier rijden. Aan de rand van de stad Puna (waar we wel moeten overnachten omdat het bijna donker is) staat een heleboel oproerpolitie. Wij zwaaien vriendelijk en zij zwaaien vriendelijk terug..dat scheelt weer. Midden in het centrum zien we een militaire kazerne en vragen of we ervoor mogen gaan staan. Dat mag en zeggen de militairen, wij letten wel op jullie vannacht. We slapen prima want er is, na de heftige confrontatie de dag ervoor, een avondklok ingesteld. Om negen uur worden de straten schoongeveegd en is het heerlijk stil.

We rijden 300 kilometer over de hoogvlakte en over de mooie strakke asfaltweg(wat een genot na al die hobbelwegen) naar Arequipa. Een stad van bijna een miljoen inwoners in het zuiden van Peru. Geen blokkades meer…hier is alles rustig. We kamperen in een kleine villawijk  aan de rand van een parkje. Het centrum van de stad staat vol met mooie gebouwen uit de koloniale periode, de mensen zien er modern gekleed uit en er zijn veel mooie winkels en grote supermarkten. De bewoner van de villa waar we zo’n beetje voor staan komt ons een plastic zakje brengen, om ons afval in te doen ( hij zal toch niet denken dat we dat naar buiten gooien?). Nadat de man hoort dat we maar met zijn tweeën zijn en wat we doen ontdooit hij. We mogen blijven staan, dit is de beste buurt van Arequipe vertelt hij trots. Even later komt hij terug met het wachtwoord van zijn internetverbinding en met een mooi mapje met informatie over de omgeving. Wanneer we iets nodig hebben hoeven we maar te kikken en…op Vaderdag worden we uitgenodigd bij de familie voor een barbecue in de tuin van de villa. Dus toch…..een warm welkom in Peru.    

   

 

 

Foto’s