Bobo Dioulasso, Burkina Faso

goede, minder goede en geen wegen

4 juni 2014 - Bobo Dioulasso, Burkina Faso

Eén van de veranderingen in Afrika die opvalt is de hoeveelheid asfalt, er zijn nu veel geasfalteerde wegen. Vaak aangelegd onder supervisie van Chinezen en de conditie varieert; zonder gaten, veel gaten en afgebrokkelde randen tot meer gat dan asfalt. Het asfalt tussen Bamako en Sikasso, aan de grens met Burkina Faso, ziet er strak uit en met een paar uur rijden staan we aan de grens. De keurig geüniformeerde politiemannen aan de kant van Burkina Faso zitten in de schaduw onder een rieten afdakje. Het is goed georganiseerd, er is zelfs een heuse ‘openluchtwachtkamer’, een paar rijen plastic stoelen onder een afdak mét televisiescherm; voor als het druk wordt. Maar nu is het er rustig en na een kort praatje en de hulp van Peter bij het invullen van het Carnet, staan alle stempels waar ze horen te staan en zijn we in het uiterste zuiden van Burkina.

Voor de route naar Banfora kunnen we kiezen tussen asfalt en piste. We gaan voor de piste en rijden over de rode aarde langs, uit rieten hutten opgebouwde kleine dorpen. Een mooi groen en vruchtbaar gebied, kilometer na kilometer zien we niets anders dan mango en cashewnotenbomen. Wat we ook zien zijn de dreigende luchten, het noodweer barst los. Dan staan we stil, vlak voor een klein dorp. Op het pad vóór de auto liggen een paar omgewaaide stevige bomen. Onder grote belangstelling trekt Peter de boomstammen met behulp van de sleepkabel opzij. En we krijgen hulp, van een man op een brommertje. Hij stapt af en begint geroutineerd met een heel klein bijltje op de zware takken in te hakken. Het werkt en met elkaar leggen we de stammen aan de kant, en is de weg is weer vrij. De vrouw (van de man op de brommer )krijgt van haar man de opdracht Peter te helpen het krat met zware sleepkabel terug te zetten…en ik…mama…mag niet helpen…pff wat voel ik me oud.

We kamperen een nacht tussen de rotsformaties bij Sindu en aan het Tengrélameer en gaan dan op zoek naar een nieuwe stang voor de achterdeur (vergeten toen we wegreden bij Casper). In Banfora zien we een hele straat ijzerbewerkers. Ze werken met weinig gereedschap en heet stoken doen ze met houtskool en een luchtbalg met een fietswiel als aandrijving. Een lasbrander hebben ze niet. Stukken metaal worden met een beitel afgesneden; om de beurt slaan ze met grote hamers op de beitel. Het werkt ook nog. Ons stangetje is een peulenschil voor ze en is snel en goedkoop gemaakt. Misschien is dit wel wat ons aantrekt in Afrika, ondanks de vaak moeilijke leefomstandigheden…de vindingrijkheid, het optimisme, de vrolijkheid én de altijd aanwezige grote glimlach.

In de buurt van Banfora is een enorme suikerrietplantage mét fabriek en met een groepje Franse toeristen krijgen we een rondleiding. Vroeger was het een staatsbedrijf en werd er van de suiker vrolijk veel alcohol gestookt. Maar de huidige eigenaar, prins Aga Khan, is en moslim en nu maken ze, zo zegt de gids met een knipoog, alleen nog maar medicinale alcohol. Het is interessant om te zien hoe ze hier stoommachines uit de jaren zestig in leven weten te houden. Helaas is de suikerriet campagne voorbij en kunnen we van de productie alleen het maken van suikerklontjes zien. Ze maken hier geen witte suikerklontjes maar ‘ blonde’, oftewel lichtbruin. Alles is voor lokaal gebruik in Burkina Faso.

Bobo-Dioulasso is de op één na grootste stad van Burkina en staat bekend om de relaxte sfeer en lokale muziek. De muziek van de Djembé (drums) en Balafon (soort Xylofoon). In een stad is het altijd even zoeken naar een veilige en enigszins rustige plek voor de nacht. We hebben iets gelezen over een hotel van Nederlandse eigenaren in de wijk ´Coco´. We rijden naar het adres en ontmoeten daar Lean en Klaas…. én kopje koffie?... het is de eerste vraag van Lean en vijf minuten later zitten we in de tuin van ‘Villa Rose’, een mooi, charmant en spiksplinternieuw hotel met veertien kamers. Lean en Klaas blijken enthousiaste reizigers. Ze hebben veel van Afrika gezien en zijn twee jaar geleden aan een nieuw avontuur begonnen in de vorm van Villa Rose. We kunnen in de straat achter het huis kamperen en trekken de daaropvolgende dagen veel met elkaar op. We gaan op een avond naar een kroeg in één van de armere wijken en gewoon buiten naast de kroeg speelt een Balafonband van veertien man  op Djembé en Xylofoon de sterren van de hemel. Er wordt ook gedanst in de vorm van een traditionele mannen schuifeldans. In een rijtje vlak achter elkaar op het ritme van de instrumenten. Maar één verschil met vroeger…het mobieltje…, stevig in de linkerhand geklemd en wanneer je gebeld word dan stap je even uit de rij.

Bobo heeft een prachtige grote markt en elke dag wandelen we er een poosje rond. Zo zien we op een morgen een tafereel wat ons aan de dolle dwaze Bijenkorfdagen doet denken. Een groep vrouwen staat te bekvechten bij een stoffenkraam. Ze trekken de lappen stof uit elkaars handen. Wat blijkt..het is een lading nieuwe Vlisco stoffen. Echt iedereen, in ieder geval alle vrouwen, loopt hier in kleding gemaakt van de kleurrijke batikstof. Kennelijk zijn dit de nieuwste ontwerpen….en die moet je natuurlijk hebben.

We gaan weer op weg en nemen, nog lang niet uitgepraat, afscheid van Klaas en Lean en van Bobo. Het was gezellig in Bobo…relaxed en super vriendelijke mensen en voor Villa Rose zie: http://www.villarosebobodioulasso.com.

Een aantal kilometer voorbij de stad Leo zien we een afslag met groot bord. Het verwijst naar Nazinga Wildpark(veel olifanten), we willen er graag heen. Als we het bord mogen geloven is het, om bij een ingang te komen, 25 kilometer rijden over de piste. We vragen aan een paar mensen of we echt deze afslag moeten nemen. Ja…de piste is goed...ook voor deze auto? We vragen het maar even we voor de zekerheid….ja, ook goed voor een vrachtwagen van twaalf ton. Dus we slaan af en gaan ervoor. De eerste kilometers zijn geen probleem maar de piste wordt almaar slechter en vooral smaller. Gaandeweg krijgt het meer weg van een brommer/fietspad. Het wordt zoeken, heel veel vragen en tergend langzaam vooruit komen. Maar het is toch mooi…fantastisch. We zijn in een deel van Burkina dat Gourounsi heet en de architectuur van de dorpen is totaal anders dan de rieten hutten tot nu toe. Het ene dorp lijkt op een fort van leem en heeft dan weer de vorm van een kasteel en in een ander dorp zijn kleuren rood en zwart gebruikt. Veel toeristen zien ze hier niet en zeker niet in een vrachtwagen. De dorpelingen roepen, zwaaien en gebaren ons tot stoppen. Een praatje is lastig want bijna niemand spreekt Frans. De kinderen zijn angstig of uitbundig blij. De laatste vijf kilometer hebben we een gids die ons per fiets naar de (achter) ingang van het park brengt…vier uur gereden over 25 kilometer maar indrukwekkend was het.

Omdat het inmiddels middag is geworden willen we, om iets van het park te kunnen zien, graag een nacht kamperen. We hebben nergens een slagboom of iets gezien dus lopen we naar de receptie van het hotel. De hele boel ziet er behoorlijk slecht onderhouden uit. Nee…kamperen mag hier niet...ook niet op het grote parkeerterrein. We zijn verplicht een hotelkamer te nemen. We proberen het uit te leggen, nemen de man mee naar buiten om de auto te laten zien maar er is geen praten aan…regels van het park…en..of we het weten..we staan nu op het terrein van het park..dus betalen en snel. Dat doen we en rijden de 37 km door het park over een erbarmelijk slechte piste zonder een enkele olifant gezien te hebben naar de uitgang. De rit naar het park toe was leuker dan het park zelf…..

 

 

Foto’s

1 Reactie

  1. Alger Algra:
    9 juni 2014
    Dag Els en Peter, deze episode doet me denken aan wat Margriet ooit vertelde toen ze Tanzania en Kenia bereisd had, ook met een flinke vrachtwagen. Ook zij vroegen of een bepaalde weg wel de goeie was. Ja, dat was-ie. Of die andere? ja, die ook. Je krijgt altijd 'ja' als antwoord. Het kan altijd.. In hun geval kwamen ze na drie dagen bij een rivier waar je alleen via zelf neer te leggen en nauwkeurig gerichte boomstammen overheen zou kunnen. Dat hebben ze er niet op gewaagd. Drie dagen terug. Gevraagd: wisten jullie niet dat...?? Jawel, maar het kòn toch, toch?
    Het schijnt dat je heel specifiek moet vragen om het correcte antwoord te krijgen - en dan nog..!
    (Met mij gaat het goed)